mephisto.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste artikelen

Na mijn tweede biertje gaat het licht aan op het podium. Ik geniet. Na twee jaar ellende koos ik eindelijk voor mijzelf. Ik besloot te reizen, alleen. Dingen zien, mensen ontmoeten, zelf vooruit komen zonder dat er iemand aan mijn arm trok. Het was een reis op zich geweest om tot dat besef te komen. En nu geniet ik. Ik sta in een bar waar ik nog nooit ben geweest, ver van huis. Morgen heb ik een rustige reisdag dus vanavond mag het los van mijzelf. Drie mannen met gitaar worden aangekondigd als “The three guitars”. Die naam had ik kunnen verzinnen, maar sarcasme heb ik al lang achter mij gelaten.

Deze golden oldie is zelfs voor de oudsten in de zaal een golden oldie. Er wordt al snel gedanst, mannen in jeans, vrouwen in jeans, hier en daar een hoed. Ik wil het geen country bar noemen. Hier in het eens zo wilde westen draagt iedereen dag en nacht hetzelfde volgens mij. Ik hef mijn hand en laat een lekker koud biertje komen. Het smaakt me goed. Lang geleden dat ik er zo van genoten heb. Deze vrijheid ervaarde ik het laatst in mijn studententijd. Al waren we toen altijd samen en met elkaar. Een hechte groep van vriendinnen die samen de kroegen bestormde. Ik glimlach er onbewust om. Hoe jong en onschuldig waren we, hoe onschuldig ben ik?

Te nadrukkelijk brult hij in mijn oor “which of the three is the rapist?” Ik draai me om en glimlach een beetje flauw in een poging om vriendelijk te zijn. “According to the most detectives I’ve seen it must be the fourth.” Hij knikt veel betekenend. Samen kijken we naar de drie mannen in leren broek die blij hun ding doen op het podium. Ze spelen liedje na liedje, zo te zien een vast repertoire wat misschien wel elke week zo wordt afgespeeld. Niemand vind het erg, iedereen vermaakt zich en ik draai mij om naar mijn biertje. Het is dezelfde beweging die ik altijd maakte als ik een kerel duidelijk wil maken dat ik geen interesse heb. Het is tegelijk een beetje plagen, want als hij echt wil, dan laat hij zich niet uit het veld slaan.

Dus ik draai mijn rug naar hem en pak mijn glas. Net voor ik het glas pak heeft hij mijn bovenarm. Gelukkig maar anders had ik gemorst. Hij trekt mij rond en ik denk oog in oog met deze veroveraar te staan maar zijn blik is op elders gericht. Dat hij mij voorlopig niet loslaat vertellen zijn vingers mij wel. Hij heeft een stevige grip en duwt mij voor hem uit tussen de mensen door. Ik denk nog in mijn naïviteit dat hij wil dansen en even swing ik wat met mijn heupen. Maar hij duwt mij door, verder van de bar vandaan. Tussen mensen door die niet op of omkijken. Ik twijfel of dit goed gaat. Heb ik hem verkeerd ingeschat, meer dronken dan ik door had? We zijn al in een donkere gang waar twee lampjes de deuren naar het toilet aangeven.

De één voor dames, de ander voor heren. Hij duwt mij naar de deur van het herentoilet. Ik wil niet, mag niet, doe niet mee met zijn spel en zet mijn voet tegen de deurpost, strek mijn been en… Hij is snel, gemeen, trapt, zijn knie geloof ik. Ik roep iets in goed Nederlands. Hij begrijpt mij wel. De deur is open, ik zie de rij pispotten, de twee deuren van de andere toiletten. Hij duwt me er één binnen. Zijn handen zijn overal, zijn lijf zo veel viezer. Ik wil het niet, weet wat er komt. De druk van zijn hand tussen mijn benen is niet goed. Ik huil? Sla nog. Ik moet hem geslagen hebben. Dan gaat het licht uit, duizelt alles en schuif ik onderuit. Out.

Als ik bijkom staat hij recht tegenover me. Hij heeft een glas. Ik vermoed dat hij water gooide. Ik zit op het deksel, bovenop de pot. Mijn armen achter mijn rug gebonden. Mijn handen vast aan mijn enkels. Een touw dat dijbeen en scheenbeen verbind. Ik kan nog niets zeggen. De situatie is absurd. Even zoek ik naar mijn dekens, het kussen, de rand van mijn bed. Twee keer omdraaien en dan een blik op de wekker. Diep in de nacht, een slokje water of gewoon doorslapen. Ik ben naakt. Blijkbaar doet mij dat realiseren dat ik wakker ben. Ik kijk op naar hem. Zijn ongeschoren kin, hij lacht en ik zie een naar gebit. Hij lijkt nog erger dan ik net had gedacht. Zijn woorden hoor ik niet. Als hij zich naar mij toebuigt voel ik plots waar al zijn handen zijn geweest.

Ik wil dit niet. Plots komt het stemmetje in mijn hoofd dat zegt dat alleen reizen niet oké is. Ik schud. Blijkbaar voor hem een teken om weer opnieuw te gaan praten. Ik wil hem niet horen. Sluit mijn ogen. Als ik ze open is zijn broek op zijn knieën. Wat wil hij van mij? Ik weet het wel, maar ik wil het niet, kan het niet. Het draait en het voelt alsof ik ieder moment moet overgeven. Zijn handen pakken mijn schouders en houden mij bovenop. Ik schud half, zeg iets, dan vliegt de deur achter hem open. Ik zie drie gestaltes verlicht door het felle licht in de toiletruimte, maar nauwelijks zichtbaar voor mij. De eerste doet zijn ding, legt mij op mijn rug. Mijn hoofd bonkt tegen de spoelbak terwijl die gekke kerel mijn arm vasthoudt. Is hij echt bang dat ik wegloop zoals hij mij heeft gebonden.

Plots zie ik het leer, de broeken. Ik verwacht bij ieder een gitaar op de rug. Ze lijken te veel op de drie mannen op het podium. Ik zwijg, waarom zou ik het ze vragen. Kijk nog een keer en herken ze. Alle drie staan ze hier. Ik vervloek ze en het bier. Ik kan er niet meer tegen. Maar vakantie he, het had gekund. Misschien had ik mijn rug niet naar hem toe moeten draaien. Als de deur weer open gaat verdwijnt de eerste artiest en maakt ruimte om de tweede binnen te laten. Ik kijk op, de derde kijkt over zijn schouder. Vloekt en scheld tegen de man die mij zo vriendelijk hier had gebracht. Volgens hem ben ik het niet. De ander knikt, noemt iets over een codewoord. Dan pakt hij een briefje uit zijn borstzak en kijkt naar mij. Noemt mijn zin over detectives die ik gezien heb en dat het volgens mij de vierde moet zijn.

De man van de band schudt, hij weet het zeker. Dan pakt de boeienkoning die mij zo stevig heeft gebonden mijn kleren van de grond. Hij noemt het op: de spijkerbroek en de rode blouse. Ik wil bijna zeggen dat iedereen hier, dag en nacht. Maar ik schud zachtjes. Het is beter even mijn mond te houden en ik besef me hoe smerig ik mij voel. Kijk op, de man van de band is zeker. De derde trekt demonstratief de rist van zijn broek dicht. “You are the rapist?” vraag ik tot verbazing van mijzelf. Hij kijkt me aan, heft zijn handen “mistake”. Ik wordt losgemaakt. Iemand zegt iets dat niemand mij zal geloven. Mijn kleren worden weer van de vloer opgepakt en aangereikt. Iemand schuift een honderd dollar biljet in een zak van mijn broek. Ik voel walging opkomen. Dan trek ik de deur dicht en doe hem snel op slot. Ga zitten, sla met mijn hand naar het lichtknopje. Donker.

Dat dit het herentoilet is stoort me niet. Als zij geen schaamte hebben om dit te doen, dan heb ik geen schaamte om hier voor de spiegel mijn haar te schikken. Ik haal diep adem. Het was stil in het toilet. Maar ik moet verder. Mijn reis is nog niet ten einde: dingen zien en nieuwe mensen leren kennen. Even leunt mijn hand tegen de deurpost waar ik net tegen de andere kant mij verzette. Dan besluit ik dat ik ga. Ik pak de deurknop, draai en stap naar buiten. Ik loop de gang door, kijk de zaal in. De band is weg, er staat een andere groep, of verbeeld ik het me en is het de jukebox. Het interesseert mij niet. Daar is de uitgang, de laatste barrière en dan ben ik weg. Al herken ik ook de sfeer die ik zo waardeerde tot alles mis ging.

Dan zie ik haar. Direct herken ik haar. Ze is wie ze is: onzeker, schuchter, hier niet voor bier en dansen. Ja, blauwe spijkerbroek en rode blouse. Eigenlijk lijken we nu wel een beetje op elkaar. Ik begrijp waarom hij mij koos. Ik voel mijn broekzakken. In mijn kontzak vind ik het biljet. Ik weet niet waarom, maar iets in mij zegt “koop haar”. Zo ben ik niet, ik zal niet, nee. Dan loop ik op haar af. Knik naar het podium en blaf te luid in haar oor “who is the rapist?” Juist op dat moment stopt de muziek. Ik verwacht een spotlight op mij gericht. Het gebeurt niet. Ze zegt iets. Ik hef mijn hoofd en ze herhaalt iets over detectives die ze gezien heeft en dat het altijd de vierde is. Ik glimlach, pak haar arm vast met een grip die haar vertelt dat ik haar voorlopig niet los zal laten.

Ik duw haar naar de uitgang en ze wijst naar het toilet, de donkere gang. Ergens hoor ik het woord “mistake”. Ik knik en duw haar naar buiten. Schud ‘nee’ en ze lijkt het te begrijpen. We steken de brede straat over. Ik open het portier van mijn auto en duw haar erin. Sluit de gordel over haar heen en niets in haar laat mij merken dat ze weg wil. Dan stap ik in en rij naar mijn appartement. Haal haar uit de auto en wijs haar een stoel. Ze gaat zitten. Ik stap uit mijn kleren en ga douchen, lang douchen. Als ik terugkom zie ik een lege stoel. Dan kijk ik naar het bed. Ligt ze daar? Ik begrijp het niet. Waarom heeft ze al dat licht uitgedaan? Dan zie ik haar. Geknield naast het bed. Ik begrijp het. My little redneck. Ik loop op haar af, grijp haar haren. Zij is van mij. Geloof me, het is drie jaar verder and she is still with me, on our little special way.

Reacties

Ze staat in de hoek van de kamer. De kamer is donker. Mijn hand strekt zich naar de knop van de lift. Ongeduldig wacht ik tot de deur open schuift. Kamer 400, het nummer voelt als een grap. Even is niet goed. Ze is gebonden. Handen achter haar rug. Hij heeft de gordijnen dicht gedaan. Niemand in de lift. Door naar de vierde etage. Niemand in de gang. Mijn koffertje rolt achter mij aan. Is het de man die mij passeert, hij met de grimas die oogcontact probeert te maken? Ik zie hem niet eens.

Vierhonderdzeven, gestommel van achter de deur. Vierhonderdvijf, drie, andere kant van de gang. Vierhonderdtwee, vierhonderd: please do not disturb. Het kan een weigering betekenen om binnen te gaan. Ik voel de deurkruk. Geen beweging. Even kijk ik op. Scharnieren aan de binnenkant. Een aanloop, schouder, binnen. Het hoeft niet. Mijn voet schuift de mat omhoog. Het was niet voor niets dat één hoek omgekruld lag. Even kijk ik links en rechts, buk snel en pak het kaartje. Draai mijn rug naar de muur, druk het kaartje in de gleuf en sluip naar binnen.

Direct loop ik via de kleine gang door naar de ruime kamer. Ik zie haar, daar ergens in de uiterste hoek. Met een ruime zwaai komt de koffer op het bed. Ik rits het ding open en haal de kaarsen eruit. Even kijk ik rond naar de ruimte. Vind dan hun plaatsen en steek ze aan. Even sta ik stil. Laat het flakkerende licht op mij inwerken. De kamer is warm, het voelt koud. Ik geef de koffer een plek langs de wand. Haal de spullen eruit die ik denk nodig te hebben. Dan twijfel ik even. Besluit dat de stoel als extra zekerheid voor de deur moet. Geen kans op ongenode gasten.

Ga naar de badkamer, kleed mij uit en was mijn handen. Het is een klein ritueel. Ik deed het altijd. Met schone handen de strijd in. Alle last afwassen, alles wat ik gedaan heb voorbij. Dan pak ik de handschoenen die tussen mijn riem geklemd waren. Het zijn dezelfde als toen. Vraag me niet waarom ik ze aandoe. Ik kijk naar mijn vingers. Loop dan de badkamer uit, mijn hand over het lichtknopje. Donker. Even blijf ik, wen aan het weinig licht. Ze staat er, roerloos. Neus in de hoek, ogen die niets zien door een blinddoek. Haar benen iets uit elkaar. Ze is prachtig.

Ik loop op haar af. Leg mijn hand op haar schouder. Vraag mij niet waarom, het moest op haar kont. Langzaam wrijvend, knedend, bemoedigend, warm, teder. Dan, daarna als ze ontspant, kan de klap of het knijpen. Ik leg mijn hand op haar schouder. Het moet zwaar voelen. Het gewicht van mijn arm, de kilheid van de handschoen, afstandelijk. Ik kneed, maar het heeft niet de warmte die het op haar kont zou geven. Het was donker, toen. We zaten ergens op een zevende verdieping. Zeker niet op zes of acht. Kapotgeschoten en toch hangt er iets aan de muur. Macaber om de foto van een gezin te zien. Achtergebleven, terwijl zo veel is vergaan.

We kijken naar de overkant. Ook stukgeschoten. Grote bijna ronde gaten in het beton. Kamer voor kamer, gebouw voor gebouw verovert, teruggewonnen, weggegaan en teruggekomen. In het gebouw aan de overkant zien we vuur. Hij kijkt me aan, de raketwerper in zijn hand. De vlam zal onze plek direct verraden in deze koude nacht. Zij wel vuur. Duidelijk mikpunt. Twee keer schieten en alles is weg. De eerste gericht op de verdieping eronder. Je weet dat de boel instort. Ik schud nee. Hij kijkt me vragend aan. Ik zie het aan zijn gezicht, het wit van zijn ogen, de rest is door vuil en camouflage onzichtbaar. Geen vuur, geen beweging, niets, stil wachten en de kou doorstaan.

Zou het zo voor haar zijn? Ze knikt. Blijkbaar is het goed. Weet ze wat er komt? Ik grijp haar haren, draai haar rond, duw haar voorover en dwing haar op het bed. Zoals we liepen. Gebogen, terwijl de wieken draaiden. Angst in je lijf, instructies herhalend in je kop. Een eenvoudige klus: je vliegt erheen, maakt iets onschadelijk, dan wacht je even en wordt je opgehaald. Dat was in de vroege ochtend, nu is het nacht en zit je alleen. Met vijf man bij je op pad. We zijn met vier in deze kamer, rug tegen de muur. Wapen in de aanslag en proberen te slapen, of te rusten. Je bid dat je de nacht doorkomt en die kerel met zijn blik op de deuropening niet in slaap valt.

Ik hoor haar gil als ze valt. Het is niet eens een val. Ik werp haar. Haar knieën raken hard de grond, haar romp valt op het bed. Geen handen die haar helpen een zachte landing te krijgen. Het was gelijk raak. Als je uit de helikopter springt ben je een schietschijf. De eerste vond een beschutte plek, de tweede werd letterlijk afgeschoten. Daarna ben je in de hel. Je kunt wachten en niet springen, dan laat je nog iemand achter. De instructies herhalen zich drammend in je kop. Je springt, rent, rolt en bezeert je schouder. Who cares? Laden, richten, vuur, er komen er nog drie. Dan gaat de helikopter en kijk je om je heen. Waar ga je heen, je weet de richting, het doel.

Zo had ik de riem in mijn andere hand. Meegenomen. Vast en ik sloeg, drie welgemikte slagen. Te hard. Denk ik… Daarna liep ik weg. Floggers, ik voelde me een nicht met die dingen in mijn hand. Draaide ze door de lucht als een cheerleader. Daarna vuurde ik het salvo op haar rug, kont, onderbenen. Een constant vuur van korte slagen. Ongelofelijk dat we daar zijn weggekomen. We waren met vier. Er zat er één onder het bloed. Ik vroeg niets. We waren er nog. Je kent die verhalen wel van die kettinkjes en een dubbele badge. Bullshit. Ik moest door, we gingen verder. Eenvoudige opdracht, eenvoudige instructies. Die herhaalden in mijn hoofd.

Ik wist waar ik was. Hotelkamer, lekkere dame, heerlijk sm spel. Alsof het een spelletje is, fuck you! This is serious shit. Mijn hand schoof over haar kont, tussen haar benen, vingertop tussen schaamlippen. This one is hot. Ik schoof naar binnen, gleed heen en weer. Hoezo onaangenaam? Ze kronkelde, kreunde. Ik moest wel. Greep haar heupen. Wie doet me wat? Stoel voor de deur, handen vast. Ik neukte. Vraag me niet of ik in haar was of langs haar clit glijd. Ik ram haar en ik hoor haar kreunen, het diepe ademhalen. Het is donker man. Zie jij details? Oké, mijn ogen zijn gewend aan het weinige licht, you bet.

De nacht in deze regio valt snel. Zo loop je in de volle zon, dan zie je het golden hour. Bij het bleu hour liepen we de trap op. Een veilige plek als een adelaar op zijn nest. Natuurlijk wordt je gered. Rescue mission on its way, but this ain’t a movie darling. Ik had geen radio, niemand had de radio. Lost in action. Twee dood, godverdomme twee dood. Hopen dat ze dood zijn. In je opleiding zie je foto’s van maten die achterblijven. Dat vergeet je niet. Dan sta je als afsluiting allemaal een minuut naast je collegebankje. Waar is mijn riem. Kutwijf ik sla je! Zwart, leer, breed, striemen. Niemand weet dat jij hier, ik, stil, hou je bek, ik ben bezig.

Nee, ik haat je niet, alle mensen zijn lief en aardig. Maar nu ik jou heb, hier voor me. Als ik er één te pakken krijg dan gaat mijn mes erin. No change for me baby. Ik zit opgesloten in een betonnen kerker met gaten zo groot dat je de hemel en hel in één view kan zien. Hij kijkt, leest de sterren. Rare man, we noemen hem de professor. Wijs maar wil geen strepen. Volgt geen orders maar loopt mee. Zegt dat het drie uur is en om zes het eerste licht er is. Bij het eerste licht gaan ze zoeken. We hadden voor lunch terug moeten zijn. Hadden ze ook gehoord, twee helikopters vlogen over de plek. No men, we go back. Ze hebben het vast op onze radio gehoord. Nu jagen ze op ons. Ik op jou.

Weinig jacht. Ik draai je om. Je lacht. Ik niet. Waar is je ernst? Dit is geen spel. Blijkbaar weet ze beter wat er komt. Mijn handschoenen grijpen haar vast en schuiven haar beter op het bed. Ik klim tussen haar benen. Ze slaat ze om mij heen. Mijn handen sluiten om haar nek. If I want, I can kill you. Wij zijn lief voor elkaar. Zei ze dat? Ik buig mij over haar, bijt mij vast in haar schouder. Damn not. Twee man brachten alles wat kon branden naar het dak. Zachtjes, heel stil, geen geluid maken. De bank, een kast en niemand vuur. No sigarets on this mission baby. Ik stond buiten te roken op het balkon, deken om mij heen geslagen. Er kon wel een tweede.

In mijn ooghoek zag ik je opgerold op bed. De lakens lagen niet meer strak, de kussens van hun plek. Zo veel licht hier buiten, ongelofelijk. Bijna warm. Onder mij de snelweg, aan de overkant een kantoorpand. Ik kon bijna de nacht zien, het licht van vlammen achter die muur. Een gat zo groot. Ik moest terug naar binnen. Goed voor je zorgen enzo. Mijn hand over je kont. Teder, nee. Eerder controlerend of je er nog was. Ik kon je binden op het bed. Met je hoofd over de rand en dan nog een keer. Wat had het voor zin? Niemand weet het. I’ve lost two men. Jij hier, je lijf roept mij bijna. Zo mooi, zo gretig. Nee, je bent geen masochist, maar dit hier is er wel één die veel meer wilt.

Je wacht tot de eerste helikopter komt. Schietschijf in de lucht. Vrouw op het bed. Ik plaag je, vervelend, lastig. Het moet, je vraagt het toch? Het is hun plicht mij op te halen. Vier van ons. Zelfde pak, zelfde ellende, zelfde angst. Na de eerste helikopter maak je vuur in de hoop dat ze je zien. Je weet wat er gebeurt. Of ze lopen het gebouw in. Daarom staat er één van ons op de gang. Our cover. Of ze doen het met een raketwerper en dan de verdieping lager. In principe verschillen we niet veel. Alleen ben ik de winnende partij. Je verliest altijd en dat is jouw overwinning. Ieder heeft recht op eigen keuzes.

Dus glijdt mijn hand over je prachtige lijf. Streelt waar je zacht bent, knijpt waar je zacht bent, dringt binnen waar je zacht bent. Ongelofelijk dat je mij toestaat. Weet je wel wie ik ben, waar ik was, wat ik van je zou kunnen verwachten? Vuur, brand, hoog oplaaiend vuur jij en ik, wij. Geen helikopter om ons te redden. Het drama van begin tot eind meemaken, toch lach je. Ik riep nog. Je telt het aantal schoten. Ik kwam op tien maar verantwoordde naar mij zelf dat het er twee waren. Dat kunnen drie wel weerstaan. Wij zijn samen, één tegen één. Ik met jou, samen een spel maken. Spelen met het vuur, een sierlijke dans met jouw lijf als mijn offerplaats en tegelijk godin om te aanbidden.

De sofa brandde niet. Het kastje ook niet. Ik stond bovenop en zwaaide met mijn armen. Blijkbaar werd ik gezien. Ik riep ze nog, drie keer, rende terug, hoorde de schoten. Zo een helikopter is een schietschijf. Hoe ik het zag weet ik niet. Rocket launcher. Ik riep het. Een duidelijke instructie voor de piloot. Die man had mijn arm, trok mij binnen terwijl we de lucht in gingen. Bewegen is beter dan stil hangen. Het is hetzelfde als je uit zo een ding springt: rennen! Je blijft, ik sla nog één keer. Pak dan mijn spullen in, vind mijn kleren in badkamer. Dan zet ik je terug in je hoek. Als je iets zegt duw ik je te hard tegen de muur.

Ik hou niet van dat soort flauwekul. De afspraak was duidelijk, een bedankje hoeft niet. Ik deed mijn ding, klaar. Ze duwde me op een bank, riemen vast. Daarna ging mij jas open. Bloed, meer weet ik niet. Drie maanden later was ik terug. Logistic services. Omdat het goed is om terug te gaan. Verwerking enzo en begrijpen dat er eenvoudige instructies zijn om simpelweg op te volgen. Ik zie ze gaan. Zes man in een helikopter. Klein klusje, eenvoudige opdracht. Vast iets onschadelijk maken. Even is niet goed. Ik schud en vul mijn formulieren in. Eenvoudige job, mijn enige doel is terug zijn. De stoel zet ik terug. Ik hoor hoe je roept, wil weten wie ik ben. De koffer rolt achter mij aan.

Het kaartje leg ik onder de mat. Voor me zie ik een stelletje uit de lift komen. Zijn koffer rolt achter hem aan. Haar tas over haar schouder. Zijn hand op haar kont. Giechelend maakt ze de deur open. Vierhonderdvijf, oneven is goed. Als de liftdeur sluit zie ik mijzelf in de spiegel. Ik stap opzij. Mijn hand grijpt de deur, trekt hem open. Mijn hoofd kantelt voorover. Ik sta met mijn hoofd tegen de muur, voel het trillen van de ventilator door mijn lijf. Zweetdruppels vallen op de grond. Net zoals ik toen zag bij hem, daar in die kamer. Hij wist dat hij het niet zou halen. Het is simpel, mijn hand laat de deur los, misschien druk ik nog een keer op een nummer en de lift gaat naar beneden.

Net zo simpel als een avontuur. Hij zoekt een kerel voor jou, schrijft wat dingen voor. De ander noemt zijn instructies en je staat geblinddoekt in de kamer. Ik realiseer me dat de blinddoek niet meer voor je ogen zit. Ik ken je naam ook niet. Ik wil je weer. Het kan niet. Duidelijke afspraak, mijn hand laat de liftdeur los. Hij sluit, er klinkt een korte ping en het ding daalt verder. Weg van jou, weg van mijn verleden op weg naar nieuwe avonturen. Dingen die kunnen en niet mogen. Ik hoop dat je hebt genoten mooie vrouw. Fuck, mijn vuist slaat een deuk in het dunne plaatmateriaal van de liftwand.

Reacties

Do it!

De zaal zit vol. Stampesvol. Op het podium staat een man. Het licht is uit, één spot gaat aan. Gejuich stijgt op. We weten wat er komt, we weten wat er gaat gebeuren. Hij buigt zijn hoofd. Zijn ogen gesloten, handen op de snaren.

Achterin de zaal sta ik. Ik ben gaan staan. We weten wat er komt. ‘Do it!’ fluister ik zachtjes.

Zijn hand komt los. Zijn hoofd omhoog. De snaren worden aangeslagen. De eerste klanken uit zijn mond zijn krachtig. Hij heeft ons. We wisten toch wat er kwam? Onze aandacht niet voor hem maar voor de vibe. Dat wat er is, wat hij brengt, wat wij samen zijn.

Mijn voet tikt op de vloer. Ik hou het stevige ritme aan. Mijn hoofd beweegt, ik swing!

Hij voelt wat er gebeurt, wij voelen wat er gebeurt. Niemand is meer alleen. We zijn samen. De muziek golft door de zaal en onze zielen golven mee. We zijn even één, kennen elkaars namen niet, weten elkaars banen niet. We zijn er nu, in het hier en dit, dit is geweldig.

Als handen die mijn schouders masseren en mijn hoofd keer op keer naar voren laten bewegen.

Zachtjes zingen we mee. Het is een samen zingen. Hij begint, wij maken zijn zin af. Dan gaat hij los. Los in een beat die zijn boot laat stampen, zijn gitaarspel is. Ja wat is het? Meer dan fantastisch! De performance is compleet. En plots zie ik de werkelijkheid.

Met gesloten ogen zie ik wat er is.

‘Do it!’ roep ik vanachter uit de zaal. Zaaltje. De rook hangt tegen het lage plafond. De kaarsen langs de wand werpen schaduwen op die twee op het podium. De dame met haar hoog gehakte laarzen paradeert om het kwetsbare heen. Ze ligt, geknield, diep, laag en klein.

Ik ben geconcentreerd, gegrepen door het spel. Dat wat die twee daar samen delen.

Nog twee keer tikken haar hakken. Het hoge. Het begin van long legs, superioriteit, macht. Die vrouw heeft uitstraling. Haar hand beweegt. Als een man die de vibe voelt en zijn gitaar aanslaat voor de eersten klanken als begin van het spectakel dat gaat komen. De zweep in haar hand volgt.

Door mijn lijf gaat een rilling. Je weet wat er komt. Ik voel de energie. Voel spieren in mijn arm spannen en daarna ontspannen.

Strengen vliegen door de lucht. Eerst naar achteren, dan ontspant de arm. In een vloeiende beweging daalt de arm. Striemen tekenen op de rug van de kleine. Eerste sporen van een fraai lijnenspel wat gaat komen. Ze raakt, stapt een kleine pas opzij en herhaalt. Draait om haar centrum heen: zij, op de grond.

Trots maakt mijn lijf warm. Wat ik zie is een samenspel. Een beat die ik herken uit de grote zaal. We zijn samen, meer samen dan we ooit onder woorden kunnen brengen. Het voelt als een trance, de kleine verdwijnt en raakt weg.

Ik zie hoe ze geniet. Al haar twijfels verdwenen tijdens de voorbereidingen tot doen. De spanning al zo direct voelbaar, beiden in de juiste verhouding. Ik stond in haar kamer toen zij zich kleedde. Ik zag beiden toen het kleintje binnenkwam. Voor ons stond en uit haar kleren schoof. Hoe naakt was zij en tegelijk zo welkom.

De collar sloot ik rond haar hals. Het ritueel waarin zo veel dankbaarheid schuilt. De rust die in het lichaam van het kleintje komt als de gesp sluit.

Nu gaat ze door. Ik weet het. Grenzen zijn opgelost in het moment. Wat ik zie lijkt grof, maar zo liefdevol. Het is intens. Alles is van haar, ze eist niet eens maar neemt omdat het haar toekomt. Ik zie hoe het kwetsbare niet meer kwetsbaar is nu de top door beiden bereikt wordt als een zweven door de wolken. Het is zoals het moet zijn, beiden nu zijn.

Zo zat ze straks nog voor ons. Zij op de grond, klaar voor alles wat zou komen. Ik begeleidde haar naar de ruimte waar het zou gebeuren. Plaatste haar op haar plek en ontstak de kaarsen.

‘Do it’ dacht ik toen ik in de ogen keek. De ogen van de machtige. Zij die nu machtig is. De prachtige, de godin van deze dag. Ik ken haar. Ik ken zo veel kanten van haar. Ik weet hoe zij zich oprolt tegen mij. Wanneer haar tranen komen, wat angst brengt en een glimlach. Trots was ik toen ik zag dat zij dit, ook dit zo goed zou doen. Haar zo goed zou doen.

Ik zie hoe ze staat. Wijdbeens. De zweep weer in haar hand. Ze kijkt op. We kijken elkaar aan. Ik knik. Nog één keer haalt ze uit. De laatste slag. Dan stapt ze over haar heen en loopt naar mij toe. De zweep valt uit haar hand. We omarmen. Ik voel een warm lijf. Ze fluistert in mijn oor ‘dank u Meester, dit was geweldig’. Dan loopt ze weg uit deze ruimte.

Even blijf ik staan. Zij, daar, beweegt niet. Ik tik met mijn voet tegen haar heup. Er komt nog geen reactie. Ze blijft waar ze is. En waar ze is, is ver. Behoedzaam leg een deken over haar lichaam. Het zorgt dat de warmte blijft en zij het niet koud krijgt.

Een voor een blaas ik de kaarsen uit. Dan kijk ik om, nog één keer om. Ze is nog ver. Ik loop de ruimte uit en sluit de deur. In het huis hoor ik de douche.

Als ik mijn ogen open zie ik hem. De grote artiest. Het podium. Hij is gebleven. Terwijl mijn gedachten beelden uit mijn herinnering brachten is de sfeer gebleven. Ik hoor zijn stem: ‘I want it soon and I want it now. I wanna be there for you, I wanna be there, it's true.’

Do it!

 

Reacties

Heaven

 

Vanochtend werd ik wakker door een zachtjes zingend koor. Ik verwachtte de zon, maar het had geregend. Eigenlijk moest ik gewoon blij zijn dat ze heel zachtjes zongen. Maar net wakker he… Je hoort niet eens wat ze zingen, maar draait je nog één keer om. En nog een keer, wacht op de zon die je uit bed brand, dat is immers wat je verwachtte. Eigenlijk kende ik het nummer wel, in een heel andere uitvoering. Man met microfoon, zo wil ik niet wakker worden.

 

Als ik je vertel over mijn ultieme vorm van wakker worden dan is het in de armen van, of omringd door vele. Noem mij maar maf, maar als het over dromen gaat mag ik toch schrijven wat ik droomde. Niet vannacht. Al mijn dromen van deze nacht zijn verdwenen. Gekomen en gegaan, misschien onbewust iets in mijn gedachten achtergelaten. Gewoon voor een to do lijstje, of een opmerking later deze dag dat ik dit toch al gezien of meegemaakt had.

 

Dromen, wie droomt er niet van heaven. De veilige haven. Noem het droomland. ‘Daar waar geen leed kan bestaan.’ Maar een beetje tegenslag. Het diepe dal dat achteraf natuurlijk maar een glooiing in het landschap is. Heerlijk toch om er weer bovenop te kruipen, helemaal weer jezelf, in control. Lekker, als het over mooie dromen gaat vraag ik je niet waar jij wakker van ligt. Als ik zou moeten bekennen dan lag ik wakker van het hemelse koor, de zuivere stemmen en dan ook nog zo heerlijk zachtjes zingend zodat ik niet met een bonkende hoofdpijn deze dag zou beginnen.

 

In mooi Engels zongen ze dat je niet altijd kan krijgen wat je verlangt, maar dat je vind wat je nodig hebt. Ik lag er op mijn rug in bed nog eens over na te denken. Dan moet je wel je best doen. De opgeruimde kamer kwam alleen door mijn inzet. Ik was er blij mee. De orde bracht dingen terug die mij anders een fikse zoektocht hadden opgeleverd. Ik rolde om. Samen wakker worden is fijn. In bed één van de prettigste plekken, zo in haar armen overigens bijna overal. Als ik dan mag wensen dan wel met zo een koor op vingerknipafstand.

 

Vandaag het koor, gisteren de chicks met gitaar. Ik keek gulzig, we mogen allemaal dromen toch en als het fysiek voor je staat moet je dan je hoofd afwenden? Die met de grote borsten, of die ene met die strakke kont. Wat dat betreft was gisteren een prima middag. De allereerste topper die ik zag was blond met hele grote blauwe ogen, perfecte make-up en haar kont in een prachtige strakke spijkerbroek. Wat dat betreft ga ik wel voor de ultieme top. You can’t always get what you want, maar ik mag er toch wel van dromen en als het voor mij staat…

 

Haar vriend had een spiegelende zonnebril. De man was gespierd en op zijn armen waren poppetjes getekend die een bepaalde status moesten benadrukken. Voor sommigen ligt de inhoud aan de buitenkant, maar heej: you can’t always get what you… Dus rookten we een sigaret en zaten even tevreden naast elkaar. Daarna vonden we een ijsje of een kop koffie noodzakelijk. We deden beiden. Het lag binnen ons bereik. Vlakbij stelde een band zich op. En ondanks dat ik net beschreef dat de meiden die de band vormden aantrekkelijk waren, ging mijn aandacht toch uit naar de mannen.

 

De blanke man had de leiding. Hij stuurde vooral de andere blanken aan. Was je getint dan luisterde je van een afstandje. Vanaf zijn iPod las hij op wat er moest gebeuren. Dat later op de middag de vrolijke popmuziek met evangelische teksten onderbroken zou worden,  door slecht toneelspel over goed en kwaad, uitgevoerd door verklede blanke mannen hoef ik je niet te vertellen. Want heej: you can’t always… Overigens had ik veel meer interesse in de mannen dan de vrouwen. Vooraf, toen nog niet alles stond wilde ze allemaal hun rondje op het drumstel. Waanzinnig hoe dat kan swingen, bizar hoe beperkt het wordt door samenspel. Al deed het meisje, dat tijdens het concert de drums bespeelde, natuurlijk vooral wat gevraagd en verwacht werd.

 

De mannen deelden tijdens het concert flyers, filmden met stramme arm en telefoon de belangrijkste nummers. Het optreden was vooraf al een succes. De meisjes zongen en de dominee uit Engeland zou de komende dagen met een gastoptreden het Pinksterfeest volmaakt maken. Want was je in nood, je relatie bijna kapot, de drank iets waar je mee wakker werd zoals ik morgen naar mijn koor zou verlangen? Dan, ja dan was deze groep je redding. Ik schud mijn hoofd niet meer bij die teksten. Ja, goed, ik swingde. Mijn voeten gingen op en neer en mijn hoofd deed wat raar. But hey: you can’t always get what you want. Want de muziek was best goed en ik kreeg het zonder inspanning.

 

We realiseerden ons dat het de dag voor Pinksteren was. Een groot feest. Och ja, natuurlijk hebben we de kerst als opperfestijn, natuurlijk. Maar dat is vooral gezellig en gekaapt door de commercie. Pasen gaat ook al bijna ten onder aan deze piraterij. Een aanval van terroristen met dubieuze beweegredenen op dat wat mooi en zuiver is. Pinksteren is één van die dingen die nog echt zuiver en puur is. Ver voorafgegaan door de zondagdienst op een regenachtige zondagmorgen. Waarbij alleen vaste gasten en die ene dwaze man die door de regen durft te gaan naar het zaaltje komen waar een dominee prekend voor de gemeente zal staan. But hey, you can’t he.

 

Pinksteren gaat over het evangelie. De start van de verkiezingscampagne: vote God! Het vuur waarmee sommigen je proberen te overtuigen is stuitend. Het kent de kracht van een man met spiegelende zonnebril die zijn blonde chick beschermt. Maar hey, ik stond in de rij bij de kassa en zij is vrijwillig voor mij gaan staan. Jij stond er al en zij schoof aan je zijde. Niet eens haar arm over je schouder, haar hand niet op je kont. Geen enkel fysiek contact, geen teken dat jullie echt samen waren. Ik noem je dan broer en zus en geef mij zo maar meer kansen dan ik bij het dromend wakker worden met een zacht zingend koor kan voorstellen.

 

Dat is het moment dat zij wel mijn hand pakt. Ze even over mijn rug wrijft. We een zoen delen. En zo bevestigen wat goed is. Samen veilig en welkom bij elkaar. Niet eens balen van de rij. Beseffen dat zij ook de prachtige vrouw treft en realiseren dat die man best aantrekkelijk is als je tenminste op mannen valt. Mijn vriendin valt op mannen want zij is bij mij. Maar hey, you can’t always get what you want, get what you need! Dat is het moment dat we even in elkaars hand knijpen. Niet vasthouden uit wanhoop of angst dat het zou wegglippen, alleen maar bevestigen dat als er een hand nodig is, die er al is.

 

Dat is mooi. Ik heb na vele zwervingen gekregen zoals ik het altijd droomde. Vanzelfsprekend, gewoon, tegelijk nooit vanzelf en zo bijzonder. Ze vond haar ook mooi. Beiden, allen. De blonde, de zangeres, de meid achter de drums, de tekst op zijn borst over geloof, de passie waarmee die ene jonge flyerde. Achteraf vond ik dat het rokje best kon, maar zij absoluut van niet. En dan geldt toch ook weer you can’t always get, you get what you need. Voor mij werd dat een rustige zondagochtend met muziek en een beetje schrijven, je leest mijn tekst.

 

Wat ik je over Pinksteren wil vertellen staat er al geschreven. De veilige haven die heaven is. Dat heaven niet daar is, maar hier in het nu. We tevreden zijn met de dingen die komen. Tegenslag helemaal niet negatief hoeft te zijn, maar wel doorworsteld moet worden. De glimlach je meer brengt dan het sacherijn en als je op een gedreven manier de mensen gaat overtuigen ze eerder weglopen dan dichterbij komen. Vraag je dan eens af of geloven samenhangt met de dominee, de gang naar de kerk en vooral doen wat anderen je opleggen. Leef in balans, met plezier, wees goed voor anderen en laat de anderen goed zijn voor jezelf. Ik denk dat onze verlosser het niet anders gewild zou hebben.

 

 

Reacties

Het wit

 

Mijn ogen zijn dicht. Alles voelt zwaar. In de verte klinkt geluid. Ik zou moeten kijken, maar er voelt nog geen zin mijn hoofd te draaien. Ademhalen is voldoende. Is het ademhalen? Ik weet het niet. Alles draait heel langzaam om mij heen. Ik voel mij moe en langzaam val ik weg. Weg in een diepe slaap. Het lukt niet om mij er tegen te verzetten.

 

Aan het geroezemoes van alles om mij heen merk ik dat ik weer wakker ben. Althans, ik merk dat er dingen gebeuren. Dat ene geluid is het sterkste. Ik herken het, net zoals ik mensen hoor praten. Mijn hoofd draait. Iets, niet veel. Volgens mij draaide het niet eens maar voelt het als draaien. Het geluid is zo veel sterker nu. Alsof er een koptelefoon op mijn hoofd is geplaatst.

 

De piep, meer is het niet, herhaalt zich regelmatig. De regelmaat is rustig. Als de zekere stappen van een man. Ik ken een man die, zelfs als hij ontspannen wandelt, zeker is. Het lukt mij niet zijn naam te vinden. Mijn gedachten zijn alleen in het nu. De piep loopt bijna gelijk met de momenten dat ik uitadem. Dan adem ik dus zelf. Ik weet het niet. Op een rare manier verlang ik naar die man.

 

Eigenlijk wil ik wandelen. Als ik mijn voeten probeer te bewegen merk ik dat ze niet gaan. Ze lijken vast en dicht bij elkaar. Alsof mijn deken strak is ingestopt. Liggen, een deken, ik zou dus in een bed kunnen liggen. Mijn mond opent zich, ik noem de vraag. Het verstomt. Ik hoor mijzelf niet. Al merk ik dat mijn mond wel open ging, en weer dicht… Ik sluit mijn ogen die nog dicht zijn. Het dalen gaat weer, het komt en ik geef er aan toe.

 

De hand op mijn schouder droom ik. Ik zie zijn gezicht. Hij lacht een vriendelijke bemoedigende lach. Hij zegt mij dat het over gaat, ik er doorheen kom, volhouden niet nodig is maar beleven wel. In mijn vermoeidheid weet ik toch een glimlach te maken. Dan ga ik weer. De warmte in. Het voelt als een schommelen tussen wakker en daar. Wakker zijn is vermoeiend. Geen idee wat er om mij heen is of met mij gebeurt.

 

Het scherpe gaat langs mijn arm. Zijn sterke hand drukt mijn arm op het bed. Als ik mijn ogen wil openen bemerk ik de blinddoek, of verband, of iets dat het zien verbied. Belachelijk scherp vind ik mijzelf plots. Ik weet dat er iets komt en het lijkt of ik mij schrap zet om het door te komen. Het zal een infuus zijn. Waarom val ik niet flauw bij iets wat ik nooit kon weerstaan? Zijn woorden? Mijn willen weten wat dit is?

 

De naald is koud en plaatst zich in mijn huid. Dan voel ik de rij in mijn bovenarm. Daar zit geen ader. Het prikt. In een poging te reageren op dat wat ik niet fijn vind probeer ik weer met mijn benen te trappelen. Het lukt niet. De dekens voelen nu meer als banden. Banden om enkels en bovenbenen. Ik schreeuw en er komt een kap over mijn gezicht. Het bedekt neus en mond. Ademhalen wordt plots zo veel moeilijker. De hand rust op mijn hals.

 

De vingers drukken niet, ze klemmen niet. Het is daar en het verschuift niet. Het vertelt mij nu rustig te blijven. De kalmte te zoeken. Hij vertelt mij dat ik niet weg kan, er geen uitweg is. Ik moet wel. Ben ik er nog? Alles lijkt verdwenen. Ik ren, nu wel. Ik ren in de zon een heuvel af. De bloemen zijn lang en vol in bloei. In de verte vliegen vogels. Dan zweef ik de stilte in.

 

Als ik bijkom is het ritme drukker. Ik herken mijn hartslag. De dubbele slagen kort achter elkaar. Het ritme is snel. Volgens mij is de kap over mijn mond niet verdwenen. De naalden wel. Gek dat je dat voelt. Ik maak mij zorgen om het ritme. Het is sneller dan ik dacht. Het lijkt ook of ik rij, ja ik beweeg. Mijn bed rolt door de gangen. Is dit mijn hartslag of hoor ik iets wat er niet is?

 

Dan stopt het. We staan stil. Ik vrees een kamer en hoop op een lift. Er is niemand meer. Ik wil een stem! Het is stil. Ben ik alleen gelaten? Mensen tillen mij op. Ik haat optillen. Helemaal als ik niet zie wie, waarheen. Ik schreeuw luid: “wat ga je met mij doen?”. Maar het geluid komt niet voorbij mijn masker. Dan klinkt de hartslag weer. Het geluid is vermengd met de piep. De twee snelle kloppen en daarna de piep.

 

Ongelofelijk hoe ver ik weg ben. Nu klinken er drums. Een dwaas ritme op lage tonen. Zou ik nu volledig onder narcose moeten zijn? Ik zoek in mijn gedachten naar het auto ongeluk. De val van drie hoog. Er komt niets in mijn gedachten. Waar ben ik ineen gezakt? Ik had een feestje, gisteren toch? We zouden samen. Plots herken ik het gezicht van die man, denk ik. Denk ik? Mijn denken wordt loom.

 

Het voelt alsof ze mij ronddraaien. Ik weet het niet. Dit is geen draaimolen, dat kan niet. Toch ervaar ik, ervaar… ik… Ik zak langzaam weg. “Daar ga ik” denk ik nog en zie hoe ik naast mijzelf sta en zwaai naar het lichaam wat lijkt te slapen. Met een schok word ik wakker. Ik voel dat ik weg moet. Ik wil weg! Mijn armen rukken. Plots heb ik weer kracht! Ik trap met mijn benen.

 

De banden houden mij vast. Ik lig met mijn armen gespreid. Als ik mij nog meer inspan voel ik hoe mijn adem het niet bijhoudt. Het geluid in mijn hoofd wordt plots luider. Het is verschrikkelijk! Ik haat opera! En zij zingt, verdomme zij zingt. Langzaam, in een vreemde taal. Ik weet niet eens wat zij zingt. Het galmt, het galmt in heel mijn lijf door. Ik voel mij groot en hol, een enorme ruimte en die ruimte vult zij met haar verschrikkelijke gezang.

 

Er klikt iets. Dan schuiven mijn benen uit elkaar. Ik ben een X. Wijdbeens, armen gespreid. Kan iemand die koptelefoon weghalen? Laat mij ademen! Dit wil ik niet. Ik schreeuw. Ik schreeuw tegen de illusie in dat iemand mij hoort. Stopwoord? Ik weet het niet meer. Hijgend geef ik mij over. Nog één keer een ruk. Ik krijg geen adem meer. En nu is het een man. Een man die zingt. Help mij, ik wil hier weg!

 

Het komt in mij. Vingers, een handschoen, teveel glijmiddel. Ik ben er. Ik ben wakker, klaarwakker. Waarom mag ik het niet zien. Ademhalen lukt, ik voel geen restricties. Er is muziek. Dragelijk is anders maar het gaat. Ik kan me niet verzetten. Veel te veel glijmiddel. Alsof ik een potje jelly ben. Het doet. Hoe kan ik toch genieten van dit soort weirde situaties? Ik geniet. Droom ik? Dit is niet echt. Straks zegt de dokter dat het goed gegaan is.

 

De slagen op mijn been horen bij de droom. Net als de strak zittende banden. De muziek lijkt de muziek van een party, maar dan gedempt. Alsof een koptelefoon mij juist beschermt van het geluid buiten mij. Het masker over mijn mond zorgt dat ik frisse lucht kan ademen. Mijn brein fuckt me, dit is de grootste mindfuck ever. Ik hoop dat ik niet praat in mijn slaap. Ik moet wel slapen. De slagen gaan door. Het is een aangename flogger, alleen de slagen zitten vol venijn.

 

Het is niet echt. Daarnet wel. Vingers. Nu is het groot en pompt zich. Het blaast mij op. Het geeft niet. Als dit het ergste is… Dan volgt mijn kont. Hetzelfde ritueel. Ik besluit de droom te volgen en mij zo af te sluiten voor de werkelijkheid om mij heen. Beiden pompen zich, om en om. Het is als de hartslag, het ritme hoor ik. Om beurten, een dubbele slag, en dan lucht, druk, groter, een klein beetje maar. Het gaat door. Te ver. Ik ben te ver. Te ver heen. Dan valt het weg. Ik ben nergens.

 

Het is het gekriebel op de zool van mijn voet. Een raar gevoel. Ik beweeg. Het lukt mijn voet te bewegen. Een verdraaien. Het wieltje prikt, de prikkers raken mijn huid. Natuurlijk kan je ontspannen als een vingertop de zool van je voet streelt. Nu niet. Als ik snel weg beweeg voel ik de schok. Het loopt door mijn lijf. Elektro? Niet aan mijn lijf. Nu sidder ik. Nare droom, nare droom. Nare droom ga weg, laat mij kijken in de ogen van de anesthesiste.

 

Ik wil veilig. En net als ik dat voel is de hand er weer. Weer op mijn hals. Weer op mijn schouder. Even grijpen zijn vingers vast. Dit is de man. Hij houdt mijn schouder stevig vast. Alsof hij zelf over de reling hangt en mijn schouder zijn enige houvast is. Hij knijpt, verdomme hij knijpt. Straks kraakt mijn bot. Ik kan niet weg. Nare droom: ik kan niet weg. Ik moet hem redden, hem vast laten houden. Tegelijk voel ik hoe hij wegglipt. Zijn grip op mijn schouder wegglijdt en om mijn hals versterkt.

 

Hij houdt mij veel te stevig vast. Mijn lijf is geen balk! Ik hijg, het lukt nog. Mijn slapen kloppen. “Klootzak” gorgel ik. Dan is het weg. Zijn hand weg en de stroom loopt door mijn lijf. Letterlijk. Ik voel hoe afwisselend verschillende sporen door mijn lijf worden gevonden. De stroom baant zich een weg. Het is vervelend, onontkoombaar. Dan is het stil en word ik geprikt. Vervelend hard geprikt. Vee prikstokken. Ik kan toch niet weg! Ik schreeuw het, het gaat door.

 

Dan is het weg. De stroom gaat weer. De stroom verdwijnt. Het prikken, overal. Wel tien tegelijk. Zo voelt het. Venijnige vervelende pijn. Ik wil dat het stopt, nee niet, want dan komt het andere. De afwisseling maakt mij gek. Ik wil terug, terug naar wegdrijven, rennend van de heuvel, zijn hand desnoods die mijn schouder vastgrijpt, maar niet, niet dit! En dan die muziek, die constante dance beat die veel te hard in mijn oren klinkt. Ik haat dit!

 

Zei ik het? Was het te zien? Waarom stopt nu alles? Droom ik, ben ik weer aan het slapen? Waar ben ik eigenlijk?. Ik voel me wakker, alert. Of toch niet? Aha, ik voel het. Mijn kut. Ze zitten aan het ding, dingen. Nee toch? Ja, oké, kom maar op. In en uit, ik lig er al op te wachten. Dit is te voorspelbaar. En ik heb er eigenlijk wel zin in. Als het een droom is dan mogen ze flink te keer gaan hoor. Zo niet, dan… tja, dan wacht ik wel af. Eigenlijk hoop ik op een machientje. Lekker in het ritme van de muziek. Kom dan! Kom!

 

Er gebeurt niets. Ik voel hoe ik wordt verreden, een klein stukje. Verdorie, ik wilde iets anders. Er klinkt geklik. Voorzichtig probeer ik mijn armen en benen te bewegen om te kijken of ik los ben. Alles zit nog vast. Zou ik weglopen? Op kunnen staan? Vast niet. Maar als de kans er was… Plots gaat mijn lichaam rechtop. Hemeltje! De zwiep van horizontaal naar verticaal. Even laten ze mij staan. Dan word ik behoedzaam iets voorover bewogen. Ik hang.

 

Onder mijn voet voel ik een schoen, hij tilt mijn voet en schuift hem op een plankje, dan volgt een andere. Ik wordt gesandwicht tussen twee dingen. Mijn bed dat geen bed is en een rek, dat vast wel een rek is. Ik voel hoe handen mijn riemen van het ene deel aan het andere deel bevestigen. Nee, ik begrijp dat er geen poging nodig is om te proberen los te komen. Het zal de droom zijn die mijn ervaring van terugschuiven van operatietafel naar bed vervormt.

 

Het ding waar ik op lag wordt weggereden. Ik hoor het niet. Het enige wat ik hoor is die constante beat. Er zit geen pauze tussen de nummers, geen moment stilte om te horen wie er zijn, waar ik ben en wat er gebeurt. Niets. Een constante trance? Droomwereld of toch realiteit. Ik besef wakker te zijn als de eerste slag komt. Is het dezelfde flogger die net mijn benen raakte? De slagen zijn mild en het voelt fijn.

 

Dan komt er een ander ritme doorheen. Andere zweep, zeker geen flogger. Ik wil, niet? Jawel, maar… Drie, drie zijn het er nu. Of twee met eentje in beide handen en een ander iets. De slagen gaan door. Het is langzaam nog, de opbouw van een ritme. Dan snijdt mijn rug. Deze striemt, is fel, te fel. De golvende beweging die mijn lichaam maakt ervaar ik zelf in slow motion. Veel te heftig. Mijn ademhaling stokt. Ow ja, masker over mijn gezicht. Vast een slang, een lange slang en een hand die voor de opening zit.

 

Als ik er aan denk wordt het weggepakt. Het masker weg en vrij ademhalen. Dan gaat het pas echt los. Het is als een sterrenregen van slagen, de hoosbui die op je neervalt als je tegen de wind in fietst. De vonken moeten er vanaf vliegen en ik, ik wil dit zo heel erg niet. Ik wil weten waar ik ben, waarom de muziek en waarom dit? Waar is de man die mijn schouder greep, de blik in zijn ogen die vertelde dat het goed zou komen. Als dit een ziekenhuis is laat het dan voorbij zijn. Kijk naar je meters, zie mijn waarden, ik wil dit niet!

 

Het hijgen laat mijn slapen kloppen. Mijn hart maakt een te snel ritme. Ik hang, voorover en geef mij over aan alles wat er is. Het overgeven kan ik niet, het gebeurt vanzelf. Ik zet mij niet meer schrap, incasseer niet meer maar laat gebeuren. Dan zweef ik weg. Het gebeurt buiten mij. Het is niet ik, het is mijn lichaam. Mijn geest laat zich verder en verder drijven door de energie van de mensen om mij heen. Hun acties kan ik niet meer weerstaan, er is geen moeten meer, ik wil mij niet meer verzetten. Zo drijf ik, verder en verder.

 

Als ik wakker wordt lig ik in een hoog bed met verticale spijlen. Even voel ik mij een peuter. De kamer is wit. Er komt wat licht door de ramen al zijn ze zorgvuldig afgeplakt met folie. Niemand die iets ziet. In de hoek van de kamer is hij. Ik herken hem, kijk om en strek mijn arm. Hij staat op van de stoel en onze vingertoppen raken elkaar door de spijlen heen. We kijken elkaar aan, ik voel me verliefd, gelukkig en vrij. Vrij bij hem. “Wat heb je gedaan?” vraag ik hem.

 

Het is de vraag van diegene die wakker wordt en wil weten waar de afgelopen dagen zijn geweest. Het is dezelfde vraag van de vrouw die onderging, wilde ervaren en nu weer terug is op dat wat mensen aarde noemen. Het enige wat hij doet is die glimlach. Dan haalt hij zijn schouders op en kijkt mij aan. Zijn hand maakt een beweging die mij uitnodigt rond te kijken. Als eerste zie ik een koptelefoon, dan een camera aan het plafond.

 

Ik hou niet van filmopnamen. Ik wil geen registratie en ik vind mijzelf niet mooi om te zien. Niet eens te dik, maar gewoon. Die modellen zijn allemaal mooier. Mijn ergste schroom is toch om te zien hoe mijn dromen uitkomen. Hoe pervers ik ben en hoe ver ik durf te gaan. Ik wil het niet zien en het liefste alleen maar beleven. Misschien ben ik wat raar. Dan zie ik het kruis aan de muur. Ook dat ding is wit. Daar heb ik gestaan, ik weet het zeker. Als ik mijn arm draai en naar mijn bovenarm kijk zie ik de sporen van naalden. Samen maken ze de vorm van een hartje.

 

Even rek ik mij. Mijn lichaam is gekwetst. Ik weet het. Straks kijk ik in de spiegel naar de sporen. Morgen zal ik weer kijken en bij iedere markering zal ik mij trots voelen dat ik het heb gedaan. Mijn vingers omklemmen één van de spijlen. Het maakt een vuist van mijn hand. Langzaam beweeg ik het rek. Het rammelt in de sluiting. We kijken elkaar aan. “Mag ik er uit” vraag ik hem. Hij kijkt mij lachend aan en schud nee. “Freak ben je ook” lach ik hem toe. Hij knikt, draait zich om en loopt de kamer uit. Ik hoor hoe hij de deur zorgvuldig sluit.

 

 

 

Reacties

Wat doe je?

Ik dans als Zorba de Griek. Met mijn armen wijd, als ik in mijn handen klap is het luid. Als ik mijn armen strek wordt iedere hand opgepakt door een fantastische vrouw. Slim, schrander, bijdehand, mooi. Mooi in een oogopslag, op delen, misschien wel mooier van binnen dan van buiten. Beiden verguld met de schaterlach, de kunst van het delen der stilte.

Ik doe niets. Ik zit en luister. Mijn stilte voorbij het ruisen. Ruisen van zee of de wind door de bomen. Ken je rust, de rust van goed, fijn en de dingen die komen? Nee, geen storm op komst al zal het stormen. Het vuur oplaaien en tegelijk weten dat we uitgeblust tegen elkaar aan liggen. ‘Moe maar voldaan’, om maar eens een quote aan te halen (Annabel). Ken je de kunst van alles in je hand kunnen hebben en nog niets hoeven doen en overladen worden met meer dan je je kunt wensen?

Ik zit op mijn knieën en spreid mijn armen. Ze komen aanstormen en rollen mij om. Het gras gemaaid. Kort en toch lang. Met een hoge heg die wel de geluiden, maar niet de beelden met anderen deelt. De schaterlach, het samen fijn. Nog een glaasje, nog een snoepje, lekker eten. Lekker eten, maar alleen dat wat iedereen lust. Plannen hooguit voor de volgende dag maar niet verder. Er ligt al zo veel vast in schoolkeuzes en de drang van groter worden.

Ik doe niets. Ik deed. Pas als je zelf in balans bent is er ruimte voor anderen. Die ruimte is er. Al past daarbij de wrange conclusie dat er dus ook een periode is geweest dat die ruimte er niet is, was of was geweest. Goed voor jezelf is goed voor anderen. Balans in de dingen die je doet en niet meer voortgejaagd door een ‘moeten’ van dingen die nu toch echt moeten. Het zorgt dat er toegankelijkheid komt en stevig staan. Dat stevig staan is prettig als het rustige, het stabiele beter bij je past als de onrust. ‘Het leven is wat je gebeurt als je andere plannen maakt’, om nog maar eens een quote aan te halen (Laat me slapen).

Ik doe. Dat doe ik en het bevalt mij goed. De anderen ook en wat ik nu doe bevalt veel beter dan wat ik deed. Dus vraag me niet wat ik doe. Vraag me niet wat ik deed. Ik was hooguit ontspoort, omgedonderd of ook eens een keer wat tegen wind. Ik wil niet praten over zeven magere jaren want ze zijn er niet. Er was een dip in mijn bestaan en ik ben recht overeind gehouden. Dat heeft een aantal mensen kracht gekost. Het is niet wat ik doe, het is niet wat ik deed. Het enige wat ik deed is blijven lopen. En hierbij past maar één liedje. Want vandaag ben ik gaan lopen. En welke afslag er wacht, welk pad het mijne wordt? Ik weet het niet. Ik doe. Ik doe en het komt goed.

 

https://www.youtube.com/watch?v=4Gm8KN83XcA

Reacties

Hoe gaat dat ook al weer, een link kopieren? Met een trema ja. Taalkundig onjuist, de spelling fout maar taalkundig goed opgepakt. Zoiets. Een grapje. 

 

Doe je alles ook af met een grapje? Een glimlach, een zoen (in de lucht) het zwaaien en dan ver weg van de afwas of ander vervelend klusje. Dans je door het leven, zing je, flirt je, geniet je terwijl je alle anderen ziet zwoegen. In de warme zon, de stromende regen, gebukt onder een juk of de rug belast door een zware accordeon. Je snapt me wel...

Reacties

 

 

 

 

 

Ze lag bovenop. Het was ongemakkelijk.

Ik kuchte. Haalde geen lucht, het was immers een kuch.

Toen hoorden we de buren praten. Allebei tegelijk.

Eindelijk ging er iets goed.

Ze rolde van mij af.

Ik kon weer ademen en miste direct alles.

Reacties

 

Kom bij me lief

 

Wat moet je met een kut die zeurt?

Zo een die altijd, en vooral onderhuids!

Nooit goed, al je aandacht net te weinig.

Dat je tegen haar zegt dat je van haar houdt, hout.

Maar nee, ze wil meer.

En als je dan… uiteindelijk… na wikken en wegen,

weken nadenken, woelen, zeker weet: ik wil jou.

En dat dan ook nog tegen haar zegt!

Gewoon… Oprecht. Zoals een man.

Die ene keer, die ene bijzondere keer, dat moment.

Kut, ik wil je.

Vrouw ik wil je.

Meisje, kom bij me. Mijn armen willen je omhelzen en nooit meer loslaten.

Zwijgt ze.

Niets. Okee, ze zeurt. Dat je best iets meer, vaker en toch zeker wel

aan haar had moeten denken.

Omdat ze niet anders kan?

Omdat ze al zo lang niet meer wil kwetsen. Maar alleen.

Alleen, heel even, wil horen dat ze goed is. Als vrouw, meisje, vriendin.

Mooi en zo en jong en gewild en dat je als man gretig wordt.

Maar al dat gedoe om weer met een man, dag en nacht en dan ook nog ’s ochtends samen wakker worden.

Nee, dat niet. Ze zegt het ook niet.

Wie praat verbreekt het spel.

Het spel moet gespeeld. Dat is afgesproken.

Zij wacht tot hij roept: ‘cut!’

Hij hoopt op een fluisterend ‘yes’

Kut.

 

http://www.youtube.com/watch?v=6wTipQIVpt8

 

Reacties

 

Ik erger mij rot

Zo erg dat er stoom uit mijn oren komt

Door windmolentjes boven mijn oren te plaatsen levert dat stroom

Bijna groenestroom, maar het rookt hier grijs.

Die energie, daar kijkt u nu internet van.

Dus laat mij nog maar

even ergeren.

Reacties
 
zijn wie je bent
{s}M
 
 
~~ o ~~
 
verhalen?
 
das Buch
info_volgt
 

Boekenkast
lees hier
 
 
 
 
op deze weblog geen 
anonieme reacties
 
18+ weblog
 
~~ mail ~~
 
 
 
~~ o ~~
 

* G * A * L * M *
 
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl